Voorwoord van Imam an-Nawawi

Alle lofzij Allah, de Heer der werelden, de Beschermer der hemelen en aarde, de Bestuurder van alle schepselen, de Zender van de Boodschappers – vrede en zegeningen zij met hen – naar de mensen die opgedragen zijn Allah te aanbidden, dit opdat zij leiding zullen vinden en inzicht mogen krijgen in de Wetten van het geloof met overweldigende bewijzen en heldere argumenten. Ik prijs Hem voor Zijn Gunsten en ik vraag vermeerdering van Zijn Gunst en Edelmoedigheid.

En ik getuig dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah, de Ene, de Onovertreffelijke, de Edelmoedige, de Meest Vergevende. En ik getuig dat onze meester Mohammed Zijn dienaar en Boodschapper is, Zijn geliefde en boezemvriend. De beste schepsel die geëerd is met de Edele Koran: het voortdurende wonder en met de Soennah die als verlichting dient voor de rechtgeaarde mensen. Degene die begiftigd was met de meest voortreffelijke en krachtige spraak en zijn verdraagzaamheid in het geloof. Zegeningen van Allah en Zijn vrede zij met hem en met alle overige Profeten en Boodschappers.

Vervolgens:

Het is aan ons overgeleverd door Ali Ibn Abi Taalib, Abdullah ibnoe Masoed, Moeaadh ibnoe Djabal, Aboe Dardaa’, Ibnoe Omar, Ibnoe Abbaas, Anas ibnoe Maalik, Aboe Hoerayrah en Aboe Saied al-Khoedri via verschillende wegen en diverse versies dat de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zei: “Wie aan mijn gemeenschap veertig overleveringen overdraagt over zaken van hun godsdienst, Allah zal hem op de Dag der Opstanding voortbrengen in een gezelschap van rechtsgeleerden en theologen.”

In een andere overlevering:
“Allah zal hem als een rechtsgeleerde en theoloog voortbrengen.”

In de overlevering van Aboe Dardaa’ :
“En op de Dag der Opstanding zal Ik een bemiddelaar en getuige voor hem zijn.”

In de overlevering van Ibnoe Masoed :
“Er zal tegen hem gezegd worden: ,,Treed binnen door welke Poort van het Paradijs jij wenst.”

In de overlevering van Ibnoe Omar :
“Hij wordt vermeld in het gezelschap van theologen en zal verzameld worden in het gezelschap van de martelaren.”

Desalniettemin zijn de hadithgeleerden het erover eens dat het hier gaat om een zwakke overlevering, ondanks de vele overleveringsketens.

De geleerden hebben wat dit betreft (het samenstellen van verzamelwerken van veertig overleveringen) talloze werken samengesteld. En de eerste, voor zover ik weet, die dit heeft gedaan is Abdullah ibnoe Moebaarak, vervolgens Mohammed ibnoe Aslam at-Toesi, de geleerde, degene die toegewijd was aan zijn Heer, vervolgens Al-Hasan ibnoe Soefyaan an-Nasaa’i, Aboe Bakr al-Aadjoeri, Aboe Bakr Mohammed ibnoe Ibraahiem al-Asfahaani, ad-Daraqoetni, al-Haakim, Aboe Noeaym, Aboe Abdir-Rahmaan as-Soelami, Aboe Saied al-Maalieni, Aboe Oethmaan as-Saaboeni, Abdullah ibnoe Mohammed al-Ansaari, Aboe Bakr al-Bayhaqi en talloze anderen, zowel in het verleden als in het heden.

Ik heb Allah, de Verhevene, om leiding gevraagd bij het verzamelen van veertig overleveringen in navolging van deze weledele imams en hoeders van de Islam. En de geleerden zijn het erover eens dat het toegestaan is te handelen naar een zwakke overlevering wanneer het gaat om deugdzame daden. Desondanks heb ik mij niet gebaseerd op deze overlevering, daarentegen ben ik uitgegaan van de volgende uitspraken van de Profeet vrede zij met hem die authentiek zijn: “Laat degene onder jullie die aanwezig was de afwezige informeren.”

En: “Moge Allah degene verlichten, die gehoord heeft wat ik heb gezegd, dit ter harte nam en vervolgens doorgeeft zoals hij het hoorde.”

Er zijn geleerden geweest die veertig overleveringen hebben verzameld inzake de grondslagen van het geloof, anderen weer inzake afgeleide zaken, anderen weer inzake de Djihaad, en weer anderen inzake ascetisme, de gedragsnormen en preken. En dit zijn allen prijzenswaardige streven. Moge Allah, de Verhevene, tevreden zijn met hen die dit streven hadden.

Ik heb ervoor gekozen deze veertig overleveringen te verzamelen die mijns inziens belangrijker zijn dan al het voorgaande. Deze veertig overleveringen omvatten al deze zaken en elke overlevering van deze verzameling staat voor één van de Islamitische basisregels en is door de geleerden beschreven als zijnde de spil van de Islam, de helft van de Islam of eenderde van de Islam enz.

Vervolgens heb ik mijn best gedaan om ervoor te zorgen dat deze veertig overleveringen authentiek zijn en de meerderheid van de overleveringen is dan ook afkomstig uit de authentieke verzamelwerken van al-Boekhaari en Moeslim. Ik zal de overleveringen noemen zonder overleveringsketen om zodoende het memoriseren ervan te vergemakkelijken en om ze in meer algemene zin van nut te laten zijn, als Allah, de Verhevene, het wil.

En eenieder die verlangt naar het Hiernamaals dient deze overleveringen te kennen, vanwege de gewichtige zaken die zij bevatten, alsmede de aanwijzingen die daarin gegeven worden over alle daden van gehoorzaamheid. En dit is voor eenieder die hierover nadenkt overduidelijk.

En in Allah stel ik mijn vertrouwen, van Hem ben ik afhankelijk en aan Hem vetrouw ik me toe. Aan hem behoort alle lof, van Hem zijn de gunsten afkomstig en van Hem komt de succes en bescherming.  

De leider der gelovigen, Aboe Hafs, Omar ibnoel-Khattaab overlevert: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah zeggen:

“Voorwaar, de daden worden beoordeeld op basis van de intentie en iedere mens zal alleen dat krijgen wat met zijn intentie samenhangt. Dus als iemand emigreert omwille van Allah en Zijn Boodschapper, dan is dat een (ware) emigratie omwille van Allah en Zijn Boodschapper . En als iemand emigreert omwille van een wereldse zaak of om een vrouw te huwen, dan is zijn emigratie omwille van datgene waarvoor hij is geëmigreerd.”

(Overgeleverd door de twee meest weledele hadithgeleerden, Imam al-Boekhaari en Imam Moeslim, in hun twee authentieke hadithboeken, die de meest authentieke hadithboeken zijn die ooit zijn opgesteld)

Uitleg

Deze overlevering is van groot belang als het gaat om de daden van het hart aangezien de intentie tot dit soort daden behoort. De geleerden zeggen over deze overlevering dat het de helft van de aanbidding is. Het is de maatstaf voor de innerlijke daden. En de volgende overlevering van Aa’ishah wordt beschouwd als de andere helft van de aanbidding. Zij overlevert namelijk dat de Profeet zei: “Wie een daad verricht die niet in overeenstemming is met onze zaak, het zal van hem niet geaccepteerd worden.”

(Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Deze overlevering is de maatstaf voor de uiterlijke daden. Wij kunnen uit deze uitspraak van de Profeet opmaken dat elke daad vooraf wordt gegaan door een bepaalde intentie. Dit omdat elke weldenkende mens geen daad kan verrichten zonder intentie. Sommige geleerden zeiden zelfs dat als Allah ons verplicht zou hebben om een daad te verrichten zonder intentie, dit ons vermogen te boven zou gaan.

De bovengenoemde overlevering van Omar kan dienen als antwoord op de uitspraken van degenen die beweren dat zij een bepaalde daad herhaaldelijk verrichten, omdat shaytaan hen constant influistert dat zij deze daad zonder intentie hebben verricht. Wij kunnen tegen deze mensen zeggen dat het niet mogelijk is om een daad zonder intentie te verrichten. Maakt het dus gemakkelijk voor jullie zelf en schenkt geen aandacht aan deze influisteringen.

Wat leert deze overlevering ons?

· Men wordt afgerekend op zijn intentie.

· Een leraar dient duidelijke voorbeelden te geven om daarmee de zaken te verduidelijken. Zo heeft de Profeet emigratie als voorbeeld genomen. De intentie achter deze daad kan van persoon tot persoon verschillen. Voor de één kan het beloond worden en voor een ander zal de beloning uitblijven.

· Deze overlevering is van toepassing op verschillende hoofdstukken van fiqh (jurisprudentie), waaronder daden van aanbidding, onderlinge omgang (van mensen), huwelijken enz.

Verder verhaalt Omar :

“Toen wij op een dag bij de Boodschapper van Allah zaten, verscheen er een man voor ons met melkwitte kleding, en gitzwart haar. Er was geen teken van reizen aan hem af te zien en niemand van ons kende hem. Hij ging voor de Profeet zitten, plaatste zijn knieën tegen zijn knieën, legde zijn handen op zijn dijen en zei: ,,O Mohammed, licht mij in over (de betekenis van) de Islam?” De Profeet antwoordde: ,,De Islam houdt in dat je getuigt dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, (en) dat je het gebed onderhoudt, (en) dat je de zakaah (armenbelasting) uitgeeft en dat je (tijdens de maand) Ramadan vast en de haddj (bedevaart) naar het Huis (de Kabah in Mekka) verricht, indien je daartoe in staat bent.” Hierop zei hij: ,,Je hebt juist gesproken.” Wij waren verbaasd dat hij hem (eerst iets) vroeg en (daarna zijn antwoord) goedkeurde.

Daarna vroeg hij: ,,Bericht mij over (de betekenis van) de Imaan?” Hij (de Profeet ) antwoordde: ,,Dat je gelooft in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken, Zijn Boodschappers, de Laatste Dag en dat je gelooft in de Voorbeschikking, zowel het goede ervan als het slechte.” Hij zei: “Je hebt juist gesproken.”

Hij vroeg (vervolgens): ,,Bericht mij over (de betekenis van) de Ihsaan?” Hij antwoordde: ,,Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet en als je Hem niet ziet, dan ziet Hij jou wel.”

Hij (de man) vroeg: ,,Bericht mij over het (Laatste) Uur?’ (De Profeet ) antwoordde: ,,Daarover heeft de ondervraagde niet meer kennis dan de ondervrager.” Toen vroeg hij: ,,Vertel mij (dan) over haar tekenen?” Hij antwoordde: ,,Dat de slavin haar meesteres zal baren en dat je ziet dat blootsvoetse, naakte en behoeftige schapenhoeders wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.”

Hierna ging hij (de man) weg en ik (Omar) bleef enige tijd zitten. Toen vroeg hij (de Profeet ): ,,O Omar, weet jij wie die ondervrager was?” Ik antwoordde: ,,Allah en Zijn Boodschapper weten het het best.” Hij zei: ,,Dat was Djibriel, hij kwam om jullie (over) je geloof te leren.”

(Overgeleverd door Moeslim)

Wat leert deze overlevering ons?

· Het was de gewoonte van de Profeet om met zijn metgezellen te zitten. Deze gewoonte toont ons het goede en nobele karakter van de Profeet .

· Men dient de gezelschap van andere mensen op te zoeken, samen met hen te zitten en zich niet van hen af te zonderen.

· Het zich begeven onder de mensen is beter dan het zich van hen afzonderen, zolang men niet voor zijn geloof vreest. Als dit wel het geval is, dan is afzondering beter. Dit is gebaseerd op de volgende uitspraak van de Profeet : “Er staat een tijd aan te komen waarin het beste bezit van een (moslim)man schapen en geiten zullen zijn, waarmee hij zich terugtrekt naar bergtoppen en regenachtige plekken.” (al-Boekhaari)

· Het is mogelijk voor de Engelen om in een menselijke gedaante te verschijnen, want Djibriel verscheen voor de metgezellen in de gedaante van een man met gitzwart haar en melkwitte kleren. Aan hem was geen teken van reizen af te zien en hij was bij geen van de metgezellen bekend.

· Het goede gedrag dat een leerling dient te vertonen tegenover zijn onderwijzer. Djibriel zat voor de Profeet in de hierboven beschreven houding die wijst op correctheid, aandacht en acceptatie voor wat er verteld wordt. Hij plaatste zijn knieën tegen de knieën van de Profeet en legde zijn handen op zijn dijen.

· Het geoorloofd zijn de Profeet bij zijn naam te noemen, omdat Djibriel hem met ‘O Mohammed!’ aansprak. Hieruit valt op te maken dat het bezoek van Djibriel waarschijnlijk plaats heeft gevonden voor het verbod van Allah op het aanspreken van de Profeet bij zijn naam:

“Maakt de (manier van) aanspreken van de Boodschapper onder jullie niet zoals (de manier waarop) jullie elkaar onderling aanspreken.” (Soerat an-Noer: 63)

Maar waarschijnlijk was het normaal bij de bedoeïen dat als zij bij de Profeet kwamen, zij hem bij zijn naam noemden.

· Het geoorloofd zijn van het stellen van een vraag over iets wat je al weet, om anderen hiermee iets te leren wat zij nog niet wisten. Djibriel wist immers het antwoord al, dit blijkt uit de woorden ‘Je hebt juist gesproken’.

· Degene die aanleiding is (voor een daad), komt hetzelfde oordeel toe als degene die de daad verricht. Dit omdat de Profeet zei: “Dat is Djibriel, hij kwam om jullie (over) jullie geloof te leren.” Ook al was de Profeet zelf de onderwijzer, maar omdat Djibriel de aanleiding was, heeft de Profeet hem als onderwijzer aangemerkt.

· Het bewijs dat de Islam vijf zuilen kent, want de Profeet zei: “De Islam houdt in dat je getuigt dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, (en) dat je het gebed onderhoudt, (en) dat je de zakaah (armenbelasting) uitgeeft en dat je (tijdens de maand) Ramadan vast en de Haddj (bedevaart) naar het Huis (de Kabah in Mekka) verricht, indien je daartoe in staat bent.”

· De noodzaak de getuigenis uit te spreken met de tong terwijl het hart tevens volledig overtuigd is dat niets of niemand het recht heeft op aanbidding, behalve Allah. Dus ook geen profeten, vrome mensen, bomen, stenen of welk schepsel dan ook. Alles wat buiten Allah aanbeden wordt, is vals. Allah zegt:

“Dat is omdat Allah de Waarheid is en omdat datgene wat zij buiten Allah aanroepen vals is en omdat Allah de Verhevene, de Grootste is.” (Soerat al-Haddj: 62)

Het geloof is niet compleet, tenzij men daarnaast getuigt dat Mohammed de Boodschapper is van Allah. Zijn gehele naam is Mohammed ibnoe Abdoellah al-Qoerayshi al-Haashimi. Wie meer wil weten over deze edele Boodschapper moet de Koran, de Soennah van de Profeet en de geschiedenisboeken lezen.

· De Boodschapper van Allah heeft de getuigenis dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah samengevoegd in één zuil. Dit omdat de aanbidding niet geaccepteerd wordt, tenzij er aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

– Ikhlaas(zuivere toewijding aan Allah)

Dit is wat het eerste deel van de getuigenis inhoudt.

– Moetaabaah (het volgen van de Profeet )

Dit is wat het tweede deel van de getuigenis (Mohammed is de Boodschapper van Allah) inhoudt.

· Iemands geloof wordt pas compleet als men het gebed onderhoudt. Met het onderhouden van het gebed wordt bedoeld dat men dit zorgvuldig verricht zoals in de Sharieah (Islamitische wetgeving) wordt voorgeschreven. Wij onderscheiden twee vormen van onderhouden van het gebed, namelijk:

– Verplicht onderhoud

Dit houdt in dat men voldoet aan de minimale vereisten van het gebed.

– Volledig onderhoud

Dit houdt in dat men de zaken die het gebed volledig maken, nakomt, zoals in de Koran, de Soennah van de Profeet en de uitspraken van de geleerden is aangegeven.

· Iemands geloof is niet compleet, behalve als men de zakaah (armenbelasting) uitgeeft. De zakaah is de verplichte belasting die over de reine bezittingen wordt betaald aan degenen die daarvoor in aanmerking komen. Allah zegt:

“Voorwaar, de zakaah is slechts voor de armen en de behoeftigen en de werkenden (die dat inzamelen) en de Moe’allafati Qoeloebihim[1] en voor (het vrijkopen) van de slaven, en de schuldenaren en om (uit te geven) op de Weg van Allah en voor de reiziger (zonder proviand).”

(Soerat at-Tawbah: 60)

· Het vasten tijdens de maand Ramadan is een vorm van aanbidding van Allah waarin men zich van zonsopgang tot zonsondergang onthoudt van zaken die het vasten verbreken. Ramadan wordt voorafgegaan door de maand Shacbaan en opgevolgd door Shawwaal.

· Onder de haddj verstaan we de bedevaart naar Mekka voor het verrichten van religieuze riten. De bedevaart is slechts verplicht voor hen die hiertoe in staat zijn, zoals ook het geval is met alle overige daden van aanbidding. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Vreest Allah, voor zover jullie hiertoe in staat zijn.” (Soerat at-Taghaaboen: 16)

Een basisregel waar de Islamitische geleerden het over eens zijn, luidt: er is geen verplichting in het geval van onvermogen en geen verbod in geval van noodzaak.

· De Engel Djibriel bevestigde dat de Boodschapper Mohammed de waarheid sprak. De Profeet is immers de meest waarheidsgetrouwe onder alle schepsels.

· De scherpzinnigheid en oplettendheid van de metgezellen doordat zij verbaasd opkeken toen de steller van de vraag zelf het antwoord bevestigde. Terwijl in principe iemand die vragen stelt geen weet heeft van de antwoorden. Deze verbazing bij de metgezellen verdween echter toen de Profeet zei: “Dat is Djibriel, hij kwam jullie (over) je geloof leren.”

· Imaan (het geloof) omvat de volgende zes zaken:

– Het geloven in Allah

– Het geloven in Zijn Engelen

– Het geloven in Zijn Boeken

– Het geloven in Zijn Boodschappers

– Het geloven in de Laatste Dag en

– Het geloven in de Voorbeschikking, zowel het goede als het slechte daarvan.

· Het onderscheid tussen Islam en Imaan. Dit geldt alleen als beide termen in één zin worden genoemd. Islam wordt dan uitgelegd als zijnde de (uiterlijke) daden van de ledematen en Imaan als zijnde de (innerlijke) daden van het hart. Als één van deze twee echter afzonderlijk genoemd wordt, dan worden zij beiden bedoeld. Zo wordt met het woord Islam in de volgende verzen zowel Islam als Imaan bedoeld.

“En Ik ben tevreden met de Islam als godsdienst voor jullie.” (Soerat al-Maa’idah: 3)

“En wie een andere godsdienst verlangt dan de Islam; het zal van hem nooit geaccepteerd worden en hij behoort in het Hiernamaals tot de verliezers.” (Soerat Aali Imraan: 85)

· Het geloven in Allah is de voornaamste zuil van Imaan, vandaar dat de Profeet hiermee begon toen hij zei: “Dat je gelooft in Allah.” Het geloven in Allah omvat het geloven in Zijn bestaan, Heerschappij, Alleenrecht op aanbidding en Namen en Eigenschappen. Met het geloven in Allah wordt niet slechts het geloven in Zijn bestaan bedoeld. Men dient daarentegen in alle vier hiervoor genoemde zaken te geloven.

· Het bevestigen van het bestaan van de Engelen. Engelen behoren tot de ongeziene wereld. Allah heeft ze op vele wijzen beschreven in de Koran en ook heeft de Profeet hen in de Soennah beschreven. Het geloven in de Engelen houdt in dat wij geloven in de Engelen wiens namen bekend zijn gemaakt, maar ook in de Engelen wiens namen niet bekend zijn.

Wij dienen te geloven in hun taken en beschrijvingen zoals deze vermeld staan in de Koran en de Soennah. Zo zegt de Profeet Djibriel te hebben gezien met zeshonderd vleugels waarmee hij de gehele horizon opvulde. Tevens zijn wij verplicht in de Engelen te geloven en van hen te houden, omdat zij dienaren van Allah zijn die Zijn bevelen opvolgen. Allah zegt:

“En degenen (de Engelen) die bij Hem zijn, zijn niet hoogmoedig om Hem te dienen en zij worden er niet moe van. Zij prijzen Zijn Glorie tijdens de nacht en de dag, zij versagen niet.”

(Soerat al-Anbiyaa’: 19-20)

· De verplichting om in de Boeken die Allah naar Zijn Boodschappers heeft gezonden te geloven. Allah zegt:

“Voorzeker, Wij hebben Onze Boodschappers met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben met hen het Boek en de weegschaal (wetgeving) nedergezonden.” (Soerat al-Hadied: 25)

Wij dienen dus te geloven in alle Boeken die Allah naar Zijn Boodschappers heeft gezonden en te bevestigen dat het hier in zijn algemeenheid de waarheid betreft. Zodra we echter in bijzonderheden treden, dan moeten wij concluderen dat de voorgaande Boeken onderhevig geweest zijn aan vervalsingen en wijzigingen, waardoor het onmogelijk is om onderscheid te maken tussen wat waar en wat vals is.

Dit wat betreft het geloven in de Boeken. Wij handelen daarentegen uitsluitend volgens hetgeen is gezonden naar de Profeet Mohammed . De andere Boeken zijn met de komst van de Sharieah afgeschaft.

· De verplichting om in de Boodschappers te geloven. Wij geloven dat elke Boodschapper die Allah gezonden heeft de waarheid is, met de waarheid is gekomen, waarachtig is in zijn berichtgevingen en betrouwbaar is in zijn bevelen. Wij geloven in het algemeen in alle Profeten, zij die niet bij naam zijn genoemd en zij die wel bij naam zijn genoemd. Allah zegt:

“En waarlijk, Wij hebben vóór jou Boodschappers gezonden. Over sommigen van hen hebben Wij jou verteld en over sommigen hebben Wij jou niet verteld.”
(Soerat Ghaafir: 78)

De eerste Boodschapper was Noeh (Noach) en de laatste Mohammed . Vijf van hen behoren tot de Oel ul-Azm (bezitters van standvastigheid). Zij worden alle vijf door Allah in twee verzen in Zijn Boek aangehaald:

“En toen Wij met de Profeten hun verbond aangingen en met jou (O Mohammed), en met Noeh en Ibraahiem en Moesa en Iesaa, de zoon van Maryam.” (Soerat al-Ahzaab: 7)

En Hij zegt ook (wat vertaald kan worden met):

“Hij heeft jullie de godsdienst voorgeschreven: wat Hij ervan opgedragen heeft aan Noeh, en hetgeen Wij aan jou geopenbaard hebben en wat Wij ervan aan Ibraahiem en Moesaa en Iesaa hebben opgedragen: dat jullie de godsdienst onderhouden en dat jullie daarover niet verdeeld raken.” (Soerat ash-Shoeraa: 13)

· Het geloven in de Laatste Dag: ook wel de Dag der Opstanding. Het wordt de Laatste Dag genoemd omdat het de eindbestemming is van de mensen. Zo kent iedere persoon de volgende vier verblijfplaatsen:

1. De schoot van zijn moeder

2. Dit wereldse leven

3. al-Barzagh (de tijd tussen het sterven en het opnieuw opgewekt worden)

4. De Laatste Dag

Hierna is er geen andere bestemming dan het Paradijs of het Vuur.

Het geloven in de Laatste Dag omvat volgens Shaykh ul-Islaam Ibn Taymiyyah: “Alles waarover de Profeet ons heeft bericht inzake wat er na de dood plaats zal vinden. Hieronder valt de ondervraging in het graf over jouw Heer, godsdienst en Profeet, maar ook wat er zich in het graf bevindt aan verrukkingen of bestraffingen.”

· De verplichting om in de Qadar (Voorbeschikking) te geloven, zowel het goede als het slechte daarvan. Dit omvat vier zaken:

1. Geloven dat de Kennis van Allah allesomvattend is.

2. Geloven dat Allah alle lotsbeschikkingen tot aan de Dag der Opstanding heeft vastgelegd op Lawh ul-Mahfoed (de Bewaarde Tafel).

3. Geloven dat alles wat er in het universum gebeurt, geschiedt met de Wil van Allah.

4. Geloven dat Allah alles en iedereen heeft geschapen. Hij doet de regen vallen en het weidegras groeien. Hij is het Die de daden en eigenschappen van Zijn schepselen heeft geschapen.

Allah heeft vijftigduizend jaar voordat Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen al datgene voorbeschikt wat er tot aan de Dag der Opstanding zal plaatsvinden. Datgene wat een persoon zal overkomen, kan daarom nooit aan hem voorbijgaan en datgene wat hem niet is overkomen, was niet voor hem bestemd.

Dit waren de zes zuilen van Imaan die de Profeet verduidelijkte. Iemands Imaan wordt pas compleet als hij daadwerkelijk in alle zes zuilen gelooft. Moge Allah ons allen doen toebehoren tot degenen die daarin geloven.

· Ihsaan houdt in dat je jouw Heer vol verlangen en hoop aanbidt. Alsof je Hem ziet en graag nader tot Hem wilt komen. Dit is het allerhoogste niveau van Ihsaan. Als je dit niveau niet weet te bereiken, dan is er nog altijd een tweede niveau: het aanbidden van Allah uit vrees en vluchtend voor Zijn Bestraffing. Vandaar dat de Profeet zei: “En als je Hem niet ziet, dan ziet Hij jou wel.”

· De kennis over het Uur (de Dag der Opstanding) behoort tot het Ongeziene. Niemand heeft hierover kennis, behalve Allah, de Verhevene. Wie het tegendeel beweert, is een leugenaar. De Kennis hierover is zelfs niet vrijgegeven aan de beste Boodschapper onder de Engelen: Djibriel en de beste Boodschapper onder de mensen: Mohammed .

· Het Uur kent een aantal tekenen. Hierover heeft Allah gezegd:

“Wachten zij (de ongelovigen) slechts op het Uur dat tot hen plotseling zal komen.”
(Soerat Mohammed: 18)

De geleerden hebben de tekenen van het Uur in drie categorieën gesplitst:

1. Tekenen die al geweest zijn.

2. Tekenen die nog steeds herhaald worden.

3. Tekenen die zich pas vlak voor de Dag der Opstanding zullen voordoen. Dit zijn de grote tekenen, zoals het neerdalen van Iesaa ibnoe Maryam , het verschijnen van de Dadjaal (antichrist), Ya’djoedj en Ma’djoedj (Gog en Magog) en het opkomen van de zon vanuit het westen.

In de overlevering heeft de Profeet een aantal (kleine) tekenen van het Uur genoemd. Zo noemde hij: “Dat de slavin haar meesteres zal baren.” Dat wil zeggen dat een slavin een meisje zal baren dat rijk zal worden totdat haar bezittingen gelijk zijn aan die van haar moeder. Het snel verveelvoudigen van de bezittingen en het verspreiden hiervan onder de mensen wordt nog eens bevestigd door het daarna genoemde teken: ‘En dat je ziet dat blootsvoet lopende, naakte en behoeftige schaapherders wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.’

· De goede onderwijsmethode van de Profeet . Hij vroeg de metgezellen of zij de vragensteller kenden of niet, om ze vervolgens te vertellen wie hij was. Dit heeft meer effect dan wanneer de Profeet dit meteen zou vertellen. Door eerst de vraag te stellen en daarna pas het antwoord te geven zorgde de Profeet ervoor dat de metgezellen het antwoord beter zouden begrijpen en deze les hen langer bij zou blijven.

En Allah leidt tot succes.

[1] Moe’allafati Qoeloebihim: hiermee wordt gedoeld op degene wiens bekering tot de Islam wenselijk zou zijn of degene wiens kwaad gevreesd wordt.

Aboe Abdur-Rahman Abdullah ibnoe Omar ibnoel-Khattaab overlevert: “Ik hoorde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zeggen:

“De Islam is gebouwd op vijf (zuilen): het getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, het verrichten van het gebed, het betalen van de zakaah (armenbelasting), het verrichten van de haddj (bedevaart) naar het (Heilige) Huis (in Mekka) en het vasten in (de maand) Ramadan.”

(Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Uitleg

In deze overlevering maakt de Profeet – vrede zij met hem – duidelijk dat de Islam te vergelijken is met een bouwwerk dat een persoon van schaduw voorziet en zowel interne als externe bescherming biedt. De Profeet – vrede zij met hem – vertelt dat de Islam op vijf zuilen is gebouwd, namelijk:

1. Het getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed – vrede zij met hem – de Boodschapper is van Allah.

2. Het verrichten van het gebed.

3. Het betalen van de zakaah (armenbelasting).

4. Het vasten in de maand Ramadan.

5. Het verrichten van de Haddj (bedevaart) naar het Heilige Huis in Mekka.

In de vorige overlevering van Omar ibnoel-Khattaab worden deze zaken nader uitgelegd.

Wij zouden ons af kunnen vragen: “Wat is de toegevoegde waarde van deze overlevering als de inhoud ervan al in de vorige overlevering staat?” Het antwoord daarop is tweezijdig. Enerzijds komt het door het belang van het onderwerp. Imam an-Nawawi wilde dit nogmaals benadrukken. Anderzijds komt het omdat hier verklaard wordt dat de Islam op vijf (zuilen) gebouwd is, in de overlevering van Omar wordt het niet zo geformuleerd al kun je daar hetzelfde uit opmaken.

Aboe Abdur-Rahmaan Abdullah ibnoe Masoed overlevert: “De Boodschapper van Allah – vrede zij met hem -, en hij is de Waarheidsgetrouwe, de Geloofswaardige, heeft ons verteld

“Waarlijk, de schepping van eenieder van jullie vindt plaats in de buik van zijn moeder, dit gedurende veertig dagen in de vorm van een noetfah (levenskiem). Daarna is het net zo lang een alaqah (bloedklonter). Vervolgens is het net zo lang een moedghah (een vleeskauwsel). Dan wordt er een Engel naar hem gestuurd die in hem de ziel blaast en die belast is met de volgende vier zaken; het opschrijven van:

– Zijn levensonderhoud

– Zijn sterfdag

– Zijn daden

– En of hij een ellendeling of gelukzalige zal zijn (in het Hiernamaals).

Bij Allah, buiten Wie er geen god is, iemand van jullie zal werkelijk het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, waarna hij deze (uiteindelijk) zal binnentreden. En (zo ook) zal iemand van jullie het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, totdat er tussen hem en deze (Hel) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, waarna hij dit (uiteindelijk) zal binnentreden.”

(Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Uitleg

Deze overlevering is de vierde overlevering van imam an-Nawawi waarin ons verteld wordt hoe de schepping van de mens zich ontwikkelt in de schoot van zijn moeder en hoe zijn sterfdag, levensonderhoud en dergelijke zaken worden bepaald.

Abdullah ibnoe Masoed zegt: “De Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – en hij is de Waarheidsgetrouwe, de Geloofswaardige, heeft ons verteld.” Waarheidsgetrouw betreffende datgene wat hij vertelt en hij is geloofwaardig betreffende datgene wat aan hem is geopenbaard. Abdullah ibnoe Masoed begon met deze inleiding, omdat de zaken die in deze overlevering verteld worden tot het Ongeziene behoren die slechts middels Openbaring bekend kunnen worden gemaakt.

Wat leert deze overlevering ons?

· Er wordt ons verteld hoe de mens zich in de schoot van zijn moeder ontwikkelt. Hierin worden de volgende vier fasen genoemd:

1. De ontwikkeling van de noetfah (levenskiem) voor de duur van veertig dagen.

2. De ontwikkeling van de alaqah (bloedklonter) voor de duur van veertig dagen.

3. De ontwikkeling van de moedghah (vleeskauwsel) voor de duur veertig dagen.

4. De laatste ontwikkeling vindt plaats nadat de ziel ingeblazen wordt.

Een embryo ontwikkelt zich dus volgens de hierboven genoemde ontwikkelingsfasen.

· De eerste vier maanden kan er niet gezegd worden dat het embryo een levend mens is. Op basis daarvan kunnen we zeggen dat als vóór het verstrijken van de vier maanden sprake is van een miskraam, hij niet gewassen wordt noch in een lijkengewaad (kafan) wordt gehuld en er wordt geen dodengebed voor hem verricht. Dit omdat hier niet gesproken kan worden van een mens.

· Na vier maanden wordt in het embryo de ziel ingeblazen. Vanaf dat moment is het embryo een levend mens. Als er na deze periode sprake is van een miskraam, dan wordt het gewassen, in een kafan gehuld en wordt er het dodengebed voor verricht, zoals dit ook het geval zou zijn als de negen maanden voltooid waren.

· Er is een Engel die over datgene wat zich in de baarmoeders bevindt is aangesteld.
Dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “Dan wordt er een Engel naar hem gestuurd…”

· De volgende zaken worden voor de mens vastgelegd, terwijl hij zich in de schoot van zijn moeder bevindt: zijn levensonderhoud, zijn daden, zijn sterfdag en of hij ellendig of gelukzalig zal zijn.

· Een ander punt dat deze overlevering ons leert is de Wijsheid en Alwetendheid van Allah. Alles bij Hem heeft een vastgesteld tijdstip dat niet vervroegd noch uitgesteld wordt.

· Men dient angst en vrees te hebben, want de Profeet – vrede zij met hem – vertelde ons het volgende: “Iemand van jullie zal werkelijk het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is, dan overkomt hem datgene wat voorbeschikt is en hij zal het soort daden verrichten dat toebehoort aan de mensen van de Hel, waarna hij deze (uiteindelijk) zal binnentreden.”

· Men dient de hoop niet op te geven want de mens kan zonden verrichten voor een lange periode, waarna Allah hem alsnog leiding schenkt op zijn oude dag. Maar wat als iemand vraagt: “Welke wijsheid schuilt er achter het feit dat Allah iemand in de steek laat die het soort daden verricht van de mensen van het Paradijs, totdat er tussen hem en het Paradijs nog maar (een afstand) van een armslengte is en hem dan datgene overkomt dat voor hem voorbeschikt is en hij het soort daden zal verrichten van de mensen van de Hel en daarin terecht zal komen?”

Het antwoord hierop is als volgt: “De wijsheid hiervan is dat het voor ons wellicht lijkt dat deze persoon goede daden verricht, maar in werkelijkheid slechte en verdorven intenties heeft. Uiteindelijk krijgen deze verdorven intenties de overhand en zal zijn leven een slechte afloop kennen. Moge Allah ons hiervoor behoeden. Vandaar dat met de volgende woorden ‘totdat er tussen hem en dit (Paradijs) niet meer dan een armslengte afstand is,’ niet gedoeld wordt op het toenaderen van het Paradijs door de mens middels zijn daden, maar op het naderen van zijn sterfdag.

De moeder der gelovigen, Oem Abdullah Aa’ishah overlevert dat de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zei:

“Wie iets toevoegt aan deze zaak van ons wat hiertoe niet behoort, het zal verworpen worden.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

In de versie van Moeslim:

“Wie een daad verricht die niet in overeenstemming is met onze zaak, het zal verworpen worden.”

Uitleg

De geleerden hebben over deze overlevering gezegd dat het de maatstaf is voor de uiterlijke daden. De overlevering van Omar ibnoe al-Khattaab – de eerste van dit verzamelwerk – waarin hij overlevert: “Voorwaar, de daden worden beoordeeld op basis van de intentie,” dient als maatstaf voor de innerlijke daden. Want elke daad heeft een intentie en een uitvoering. De uitvoering is het uiterlijk van de daad en de intentie is het innerlijk ervan.

Wat leert deze overlevering ons?

· Eenieder die iets toevoegt aan deze zaak – oftewel de Islam- wat daartoe niet behoort, dit zal nooit en te nimmer van hem geaccepteerd worden, ook al is zijn intentie nog zo goed. Hieruit kunnen wij dus opmaken dat alle vormen van bida ontoelaatbaar en onaanvaardbaar zijn, al is de intentie goed.

· Iedereen die een goede daad verricht, maar deze niet volgens de Islamitische voorschriften nakomt, zijn daad zal verworpen worden ook al vindt deze daad zijn oorsprong in de Islam. Dit op basis van de tweede overlevering van imam Moeslim. Zo wordt bijvoorbeeld een kooptransactie die niet aan de Islamitische voorschriften voldoet, nietig verklaard en zo ook het verrichten van optionele gebeden zonder enige reden op verboden tijden en het vasten op de Ied-dagen.
Dit omdat al deze daden niet in overeenstemming zijn met het Bevel van Allah en Zijn Boodschapper – vrede zij met hem – en daardoor als nietig en verworpen worden beschouwd.

Aboe Abdullah an-Noemaan ibnoe Bashier overlevert:
“Ik hoorde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – zeggen:

“Waarlijk, al-Halaal is duidelijk en waarlijk, al-Haraam is (ook) duidelijk. En tussen beiden zijn er twijfelachtige zaken waarover veel mensen (het oordeel) niet weten. Degene die zich dus verre houdt van twijfelachtige zaken, heeft zich daarmee veilig weten te stellen wat betreft zijn religie en zijn eer. En degene die echter vervalt in twijfelachtige zaken, vervalt in al-Haraam, net als de herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen, waardoor hij op het punt staat hen daarin te laten grazen. Is het niet zo dat elke koning zijn eigen territorium heeft en dat het territorium van Allah Zijn verboden zijn? En waarlijk, in het lichaam bevindt zich een moedghah (een vleeskauwsel), als deze goed is, dan is het hele lichaam goed en als deze verdorven is, dan is het hele lichaam verdorven: en werkelijk, dit is het hart.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Uitleg

· De Profeet – vrede zij met hem – heeft de zaken in drie categorieën gesplitst:

1. Duidelijk toegestane zaken, waarover geen twijfel bestaat: al-Halaal.

2. Duidelijk verboden zaken, waarover geen twijfel bestaat: al-Haraam.

Deze twee categorieën spreken voor zich. Wat betreft al-Halaal, dit is toegestaan en het verrichten ervan is geen zonde. En wat al-Haraam betreft, dit is verboden en het verrichten ervan wordt als een zonde beschouwd. Een voorbeeld van al-Halaal is het eten van ritueel geslacht vee en een voorbeeld van al-Haraam is het drinken van bedwelmende dranken.

3. Twijfelachtige zaken waarover het oordeel niet voor iedereen duidelijk is, maar voor anderen weer wel. Hierover heeft de Profeet – vrede zij met hem – gezegd dat men dit uit godsvrucht dient te mijden, zeggende: “Degene die zich dus verre houdt van twijfelachtige zaken, heeft zich daarmee veilig weten te stellen wat betreft zijn religie en zijn eer.”

Hij stelt zichzelf veilig wat betreft zijn religie – de relatie tussen hem en Allah – en zijn eer – de relatie tussen hem en de mensen, zodat zij niet zullen zeggen: “Die en die persoon heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van dat verbod.” Waarvan zij wel het oordeel kennen, terwijl hij hier niet op de hoogte is.

· Vervolgens stelt de Profeet – vrede zij met hem – degene die zich schuldig maakt aan twijfelachtige zaken gelijk aan een herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen. Met andere woorden, in de buurt van beschermd grond waar geen vee graast en daardoor nog groen is. Dit stuk grond is aanlokkelijk voor de kudde die zich dan ook langzaam richting dit grond zal begeven om daar te grazen. “Net als de herder die zijn kudde in de buurt van andermans weide laat grazen, waardoor hij op het punt staat hen daarin te laten grazen.”

Verder zegt de Profeet – vrede zij met hem -: “Is het niet zo dat elke koning zijn eigen grens heeft en dat de grenzen van Allah Zijn verboden zaken zijn?” Oftewel, het is gewoonlijk dat de koningen in het bezit zijn van territoria die zij beschermen en Allah’s territoria zijn Zijn verboden zaken, omdat Hij hen verbiedt deze te overtreden.

· Vervolgens maakt de Profeet – vrede zij met hem – ons duidelijk dat er zich in het lichaam een vleeskauwsel bevindt en als dit goed is, dan zal het gehele lichaam goed zijn. Dit op basis van zijn e uitspraak: “En waarlijk, in het lichaam bevindt zich een moedghah (een vleeskauwsel), als deze goed is, dan is het hele lichaam goed.”

Dit wijst erop dat men de verlangens die het hart vullen onder bedwang dient te houden om zodoende te voorkomen dat hij in verboden en twijfelachtige zaken vervalt.

Wat leert deze overlevering ons?

· De toegestane en verboden zaken van de Islamitische wetgeving zijn duidelijk en de twijfelachtige zaken daarvan zijn slechts voor sommigen duidelijk.

· Als men over een bepaalde zaak twijfelt of deze toegestaan of verboden is, dient hij deze zaak te vermijden totdat het duidelijk is of dit toegestaan is.

· Als men in aanraking komt met twijfelachtige zaken, zal het eenvoudig voor hem zijn om vervolgens om in duidelijke verboden zaken te vervallen. Zijn ego zal hem na het verrichten van twijfelachtige zaken uitnodigen naar het verrichten van duidelijke verboden zaken, waardoor hij zichzelf uiteindelijk ten gronde zal richten.

· Het is toegestaan om een gelijkenis te trekken om zo een abstracte zaak, door middel van het geven van een concreet voorbeeld, te verduidelijken.

· De Profeet zijn – vrede zij met hem – verheven wijze van onderrichten van zijn metgezellen middels het geven van duidelijke voorbeelden.

· Het hart bepaalt of een persoon goed, dan wel slecht is. Op grond hiervan dient men altijd waakzaam te zijn over zijn hart, opdat het standvastig zal blijven, zoals vereist.

· Verdorvenheid van het uiterlijk duidt op verdorvenheid van het innerlijk, dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “Als deze goed is, dan is het hele lichaam goed en als deze verdorven is, dan is het hele lichaam verdorven.”

Aboe Roeqayyatah Tamiem ibnoe Aws ad-Daariy overlevert dat de Profeet-vrede zij met hem-zei: “De religie is nasiehah.” Wij vroegen: “Ten opzichte van wie?” Hij – vrede zij met hem – antwoordde: “Ten opzichte van Allah, Zijn Boek, Zijn Boodschapper, de leiders van de moslims en de moslims in het algemeen.” (Overgeleverd door Moeslim)

Uitleg

‘Nasiehah ten opzichte van Allah,’ is tevens Nasiehah ten opzichte van Zijn godsdienst. Dit door Zijn geboden na te komen, Zijn verboden te vermijden, Zijn berichtgevingen te geloven, ons tot Hem te keren, op Hem te vertrouwen en de overige Islamitische rituelen en voorschriften in acht te nemen.

‘Nasiehah ten opzichte van Zijn Boek,’ houdt in dat je dient te geloven dat de Koran het Woord van Allah is. Het bevat ware berichtgevingen, rechtvaardige wetten en leerzame verhalen. Tevens houdt het in dat je voor al je zaken terugkeert naar de Koran om hierover te oordelen.

‘Nasiehah ten opzichte van Zijn Profeet,’ houdt in dat je in hem – vrede zij met hem – gelooft als zijnde de Boodschapper van Allah – vrede zij met hem – die naar alle inwoners van de werelden is gezonden, van hem – vrede zij met hem – houdt, hem – vrede zij met hem – als voorbeeld neemt, gelooft in alles wat hij – vrede zij met hem – heeft verteld, doet wat hij e- vrede zij met hem – ons heeft opgedragen, vermijdt wat hij – vrede zij met hem – ons heeft verboden en zijn godsdienst verdedigt.

‘Nasiehah ten opzichte van de leiders van de moslims,’ houdt in dat je hen advies geeft door het verduidelijken van de waarheid, hen niet tot last bent, geduld toont als jou onrecht door hen wordt aangedaan en dat jij de overige algemeen bekende rechten die hen toekomen in acht neemt, zoals het helpen en bijstaan van hen in datgene waarin jij verplicht bent om hen steun te bieden. Hierbij kun je denken aan het bestrijden van de vijand.

‘Nasiehah ten opzichte van de moslims in het algemeen,’ houdt in dat je de overige moslims adviseert door hen uit te nodigen naar Allah, tot het goede aanspoort, het verwerpelijke verbiedt en hen het goede onderwijst enz. Zodoende is godsdienst raadgeving geworden en de eerste die tot de moslimonderdanen hoort ben je zelf. Anders gezegd, men dient zichzelf allereerst te adviseren.

Wat leert deze overlevering ons?

· De godsdienst is het elkaar adviseren. Dit op basis van de uitspraak van de Profeet – vrede zij met hem -: “De religie is nasiehah.”

· Nasiehah kan onderverdeeld worden in vijf categorieën, namelijk ten opzichte van:

1. Allah

2. Zijn Boek

3. Zijn Boodschapper – vrede zij met hem –

4. De moslimleiders

5. De overige moslim

· De nadruk die gelegd wordt op nasiehah ten opzichte van de vijf genoemde categorieën. De Profeet – vrede zij met hem – noemde dit immers de godsdienst en zondermeer dient men over zijn godsdienst te waken in dit in acht te nemen. Vandaar dat de Profeet – vrede zij met hem – nasiehah in deze vijf categorieën verdeelde.

· Het verbod op bedrog, want als godsdienst het geven van goed advies inhoudt, dan is misleiding het tegenovergestelde van goed advies en in strijd met de Islam.

Tevens is er overgeleverd dat de Profeet – vrede zij met hem – zei:
“Wie ons bedriegt, behoort niet tot ons.”

Het Arabische woord ‘nasiehah’ betekent advies of raadgeving, maar kan hier ook vertaald worden met oprechtheid of zuiverheid.

Ibnoe Omar overlevert dat de Boodschapper van Allah vrede zij met hem zei:

“Ik heb opdracht gekregen om de mensen1 te bestrijden totdat zij getuigen dat niets of niemand het recht heeft aanbeden te worden, behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper is van Allah, het gebed onderhouden en de zakaah (armenbelasting) afstaan. Als zij dat doen, zijn zij onschendbaar voor mij geworden wat betreft hun bloed en hun bezittingen. Behalve (als zij) het recht van de Islam (overschrijden). En hun berechting berust bij Allah, de Verhevene.” (Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Uitleg

‘Ik kreeg de opdracht,’ wil zeggen dat Allah de opdracht gaf. De Profeet noemt hier niet Degene van Wie hij de opdracht heeft gekregen omdat het vanzelfsprekend is dat Allah, de Verhevene, Degene is Die verbiedt en beveelt.

· “Om de mensen te bestrijden tot zij getuigen dat…” Hier laat de Boodschapper zich in algemene termen uit, maar degenen die bestreden dienen te worden, worden door Allah nader gespecificeerd in het volgende vers waarin Allah zegt:
“Doodt hen die niet in Allah en het Hiernamaals geloven en die niet voor verboden houden wat Allah en Zijn Boodschapper verboden hebben verklaard; en zij die de Ware godsdienst (de Islam) niet als godsdienst nemen, van hen aan wie de Schrift is gegeven, totdat zij de Djizyah betalen, met eigen handen, terwijl zij onderdanig zijn.”
(Soerat at-Tauwbah: 29)

Wat leert deze overlevering ons?

· Wie de zakaah weigert te betalen, dient bestreden te worden, zoals Aboe Bakr degenen heeft bestreden die geen zakaah betaalden.

· Als men de Islam uiterlijk belijdt, dan wordt het innerlijk aan Allah overgelaten. Vandaar dat de Profeet zei: “Als zij dat doen, zijn zij onschendbaar voor mij geworden wat betreft hun bloed en hun bezittingen. Behalve (als zij) het recht van de Islam (overschrijden). En hun berechting berust bij Allah, de Verhevene.”

· De bevestiging van het feit dat de mens berecht zal worden voor zijn daden. Als deze goed zijn, zal het hem goed vergaan. Zijn deze slecht, dan zal het hem slecht vergaan. Allah, de Verhevene zegt:
“Wie iets goeds doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets slechts doet ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.”

(Soerat az-Zalzalah: 7-8)

1Deze overlevering refereert naar het bestrijden van de polytheïstische Arabieren op het Arabische schiereiland, zoals al-Khattaabi, Ibnoe Daqieq al-Ied e.a. hebben gezegd.

2Ook wel minderheidsbelasting. Een belasting die geheven wordt van Joden en Christenen die als waarborg dient dat zij in een Islamitische staat mogen leven, terwijl hun levens, bezittingen en eer beschermd worden. Dit is een jaarlijks bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de rijkdom van de betaler.

Aboe Hoerayrah Abdur-Rahmaan ibnoe Sakhr overlevert:

“Ik heb de Profeet – vrede zij met hem – horen zeggen:

“Wat ik jullie verboden heb, vermijdt dit. En wat ik jullie heb opgedragen, verricht dit, voorzover jullie daartoe in staat zijn. Degenen vóór jullie zijn namelijk te gronde gegaan door hun vele vragen en meningsverschillen met hun Profeten.”
(Overgeleverd door al-Boekhaari en Moeslim)

Uitleg

‘Wat’ in de zinsdelen ‘Wat ik jullie verboden heb,’ en ‘Wat ik jullie heb opgedragen’ duidt in hetArabisch op het onvoorwaardelijk accepteren van de bevelen van de Profeet – vrede zij met hem -. De zaken die de Profeet – vrede zij met hem – verboden heeft, dienen dus in hun geheel vermeden te worden en niets van deze verboden zaken dient men te verrichten. En iets laten is natuurlijk gemakkelijker dan iets doen, dit is algemeen bekend.

Wat betreft de geboden, hierover heeft de Profeet – vrede zij met hem – gezegd:
“En datgene wat ik jullie heb opgedragen, verricht dit, voorzover jullie daartoe in staat zijn.” Want de geboden zijn daden die men dient te verrichten en men kan het hier zwaar mee hebben. Vandaar dat de Profeet – vrede zij met hem – de volgende voorwaarde hieraan stelde:
“Voorzover jullie daartoe in staat zijn.”

Wat leert deze overlevering ons?

· De verplichting om alles wat de Profeet – vrede zij met hem – ons heeft verboden te vermijden en daarnaast verdient datgene wat Allah ons heeft verboden het nog meer om vermeden te worden. Dit zolang er geen bewijs is dat de betreffende zaak bijvoorbeeld slechts afgeraden is en niet verboden.

· Het is niet toegestaan om enkele verboden te verrichten. Men dient daarentegen alle verboden te vermijden. Indien er sprake is van een noodzaak dan is dit natuurlijk een andere situatie.

· De verplichting om datgene te doen wat de Profeet – vrede zij met hem – ons heeft opgedragen, zolang er geen bewijs is dat ons erop wijst dat er slechts sprake is van een aanbevolen daad.

· De mens is niet verplicht om meer te doen dan waartoe hij in staat is.

· Het gemak van deze godsdienst, aangezien er niets voor een persoon verplicht is wat niet binnen zijn vermogen ligt.

· Wie niet in staat is een deel van datgene wat hem is opgedragen te verrichten, voor hem volstaat het om datgene te doen waartoe hij wel in staat is. Wie het gebed niet staand kan verrichten, kan dit zittend verrichten. Wie dit niet zittend kan verrichten, mag dit op zijn zijde verrichten. Wie in staat is de roekoec (de neerbuiging tijdens het gebed) te verrichten, die buigt, en wie dit niet kan doen, kan volstaan met het knikken van zijn hoofd. Dit geldt ook voor alle andere daden van aanbidding. Men verricht deze voor zover men daartoe in staat is.

· Het is niet wenselijk om te veel vragen te stellen. Want te veel vragen stellen – in het bijzonder ten tijde van het nederdalen van de openbaring – kan wellicht leiden tot een verbod op iets wat daarvoor niet verboden was of tot het verplicht worden van iets wat daarvoor niet verplicht was. Men dient zich in zijn vragen slechts te beperken tot datgene wat nodig is.

· Het teveel stellen van vragen en twisten met de Profeten behoort tot de oorzaken waardoor men zichzelf ten gronde richt. Zoals degenen vóór ons die zichzelf hierdoor ook ten gronde hebben gericht.

· De waarschuwing tegen het teveel stellen van vragen en het hebben van meningsverschillen, omdat dit heeft geleid tot vernedering van de mensen vóór ons. Als wij dit ook doen, zullen wij onszelf ook ten gronde richten zoals zij ook deden.

Aboe Hoerayrah overlevert dat de Profeet heeft gezegd:
“Allah, de Verhevene, is goed en aanvaardt alleen het goede. En Allah heeft de gelovigen datgene opgedragen wat Hij de Boodschappers heeft opgedragen. Hij, de Verhevene, zegt:

“O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.”
(Soerat al-Moe’minoem: 51)

En Allah, de Verhevene, zegt: “O jullie die geloven, eet van de goedheden (wat betreft voedsel) waarvan Wij jullie hebben voorzien.” (Soerat al-Baqarah: 172)

Daarna vertelde hij over een man, die een lange reis maakt, met verwarde haren en onder het stof, die zijn handen ter hemel strekt (smekende): “O, Heer! O, Heer!” Dit terwijl zijn eten haraam is, zijn drinken haraam is, zijn kleding haraam is en hij door haraam wordt gevoed. Hoe kan hij dan verhoord worden?” (Overgeleverd door Moeslim)

Uitleg

‘Allah, de Verhevene, is goed en aanvaardt alleen het goede.’ Hiermee wordt bedoeld dat Allah Zelf goed is. Hij is goed wat betreft Zijn Eigenschappen en Daden. Hij accepteert slechts datgene wat goed is en datgene wat op een goede (toegestane) manier verdiend is. Wat betreft datgene wat slecht is, zoals bedwelmend drank en wat op een slechte manier wordt verdiend, zoals de verdiensten uit woekerrente, Allah accepteert dit niet. Dit op basis van de volgende woorden van de Profeet : “En Allah heeft de gelovigen datgene opgedragen wat Hij de Boodschappers heeft opgedragen. Hij, de Verhevene, zegt: “O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.” (Soerat al-Moe’minoem: 51)

De opdracht van Allah aan de Profeten en de gelovigen is één en dezelfde; namelijk dat zij van de goede zaken dienen te eten en de verwerpelijke zaken zijn hen verboden. Dit op basis van de Woorden van Allah waarmee Hij Zijn Boodschapper beschrijft:

“Hij beveelt hen het goede en hij verbiedt hen het verwerpelijke, en hij staat hen de goede dingen toe en hij verbiedt hen de slechte dingen.” (Soerat al-Araaf: 157)

Daarna vertelde de Profeet dat het verhoren van de smeekbede van deze man achterwege bleef omdat zijn voedsel verboden was. Ondanks dat de vereiste middelen aanwezig waren om verhoord te worden. Hij vertelde ‘over een man, die een lange reis maakt, met verwarde haren en onder het stof, die zijn handen ter hemel strekt (zeggende): “O, Heer! O, Heer!” Dit terwijl zijn eten haraam is, zijn drinken haraam is, zijn kleding haraam is en hij door haraam wordt gevoed. Hoe kan hij dan verhoord worden?’

De volgende vier kenmerken worden van deze man beschreven:

1. Hij maakt een lange reis. Dit kan ertoe leiden dat de smeekbede van een dienaar verhoord wordt.

2. Zijn haren waren verward en hij zat onder het stof. Allah, de Verhevene, is met degenen wiens harten gekweld zijn omwille van Hem. Hij kijkt naar Zijn dienaren op de Dag van cArafah en zegt: “Zij kwamen tot Mij met verwarde haren en onder het stof.”

Dit behoort ook tot de redenen voor het verhoord worden van smeekbeden.

3. Hij strekte zijn handen uit naar de hemel. Ook dit behoort tot de redenen voor het verhoord worden van de smeekbeden. Allah acht het Hem onwaardig wanneer Zijn dienaar zijn handen naar Hem opheft, dat Hij hem vervolgens met lege handen achterlaat.

4. Zijn smeekbede tot Allah: “O Heer! O Heer!” Dit is een poging van toenadering tot Allah middels het aanroepen van Zijn Heerschappij. Ook dit behoort tot de redenen voor het verhoord worden van de smeekbede.

Ondanks al deze aanwezige zaken wordt zijn smeekbede niet verhoord, omdat zijn eten, drinken en kleding haraam zijn. Dit is de reden waarom de Profeet zei dat het onwaarschijnlijk was dat de smeekbede van deze man verhoord zou worden. Hij zei:
“Hoe kan hij dan verhoord worden?”

Wat leert deze overlevering ons?

· Allah, de Verhevene, Zelf is goed en Hij is goed wat betreft Zijn Eigenschappen en Daden.

· Het stellen van Allah boven elke vorm van tekortkoming.

· De wetenschap dat er daden zijn die Allah wel accepteert en daden die Hij niet accepteert.

· Allah, de Verhevene, heeft Zijn Boodschappers en de mensen naar wie zij gestuurd zijn bevolen om van de reine zaken te eten en dat zij Hem dankbaar moeten zijn.

· Het dankbaar zijn van Allah behoort tot de goede daden, dit op basis van de volgende Woorden van Allah: “O boodschappers, eet van de goedheden en verricht goede daden.” (Soerat al-Moe’minoem: 51)

En Allah, de Verhevene, zegt tegen de gelovigen:

“O jullie die geloven, eet van de goedheden (wat betreft voedsel) waarvan Wij jullie hebben voorzien en weest Allah dankbaar.” (Soerat al-Baqarah: 172)

· Wil iemand dat zijn smeekbede verhoord wordt, dan moet hij weten dat het vermijden van haraam eten en drinken hiervoor een voorwaarde is, dit op basis van de uitspraak van de Profeet : “Hoe kan hij dan verhoord worden?”

· Tot de redenen die ertoe leiden dat een smeekbede verhoord wordt, behoren:

1. Het feit dat men op reis is.

2. Het heffen van de handen naar de hemel.

3. Het toenadering zoeken tot Allah middels het aanroepen van Zijn Heerschappij. Allah is immers de enige ware Heer, Hij is de Schepper en de Bestuurder (van het universum).

· De Boodschappers werden net als de gelovigen belast met het verrichten van daden van aanbidding.

· De verplichting om Allah dankbaar te zijn voor Zijn gunsten, dit op basis van de volgende uitspraak van Allah, de Verhevene: “…En weest Allah dankbaar.” (Soerat al-Baqarah: 172)

· Het is niet slechts gewenst, maar zelfs verplicht dat iemand daden verricht die ertoe leiden dat zijn smeekbeden verhoord zullen worden. Daarnaast dient men daden te vermijden die een belemmering vormen voor het verhoord worden van de smeekbeden.